Ze waren te laat, wat aan Annabel lag, en ze liepen hard, wat aan Achmed lag.
De Nieuwe Binnenweg was om dit uur één stroom. Fietsen en bakkarren op de zijstroken, taxi's in het midden, en onder de huizen de kraampjes: de scharensliep die er al drie generaties zat, de vrouw met de gedroogde vis, de jongen die telefoons repareerde op een tafel die hij elke avond mee naar binnen nam. Iemand droeg een kist tomaten en riep iets naar iemand anders die terugschreeuwde zonder te kijken. Twee honden liepen mee met een man die ze niet kende.
"Hij begint precies op tijd," zei Achmed.
"Hij begint als hij binnen is."
"Dat is precies op tijd."
Bij het Stadhuisplein werd het breder. Studenten op de trappen, eettentjes, een bandje van vier man dat speelde alsof er betaald werd. Annabel kocht iets in papier bij een kraam en at het lopend op.
De universiteit was ooit een winkelstraat geweest en dat zag je nog: gevels van glas, letters die niemand had weggehaald, een haak boven een deur waar tachtig jaar geleden een reclamebord aan hing. Maar wat erachter zat, was nieuw. De grote zaal was uitgebouwd tot in het blok erachter, met een dak dat aan één kant open stond en waar mussen in en uit vlogen alsof het buiten was. De banken liepen af naar beneden, hout, glad van dertig jaar mouwen. In de wand achter het spreekgestoelte zaten de bladgroenpanelen die de lucht deden; ze gaven een licht dat op geen enkele lamp leek.
Het was het mooiste gebouw waar Achmed ooit binnenkwam en hij dacht er nooit over na, want hij kwam er drie keer per week.
Ze zaten nog niet of Victor kwam binnen — rond hoofd, kale kop, vrolijke oogjes, een map die hij nooit opende.
"Vandaag geen geld," zei hij. "Vandaag mensen. Wie kan mij zeggen wat een geestelijk leider is?"
Een meisje vooraan, snel: "Iemand die het geloof uitdraagt en midden in de samenleving staat."
"Dat is wat er in de folder staat en het is niet onwaar. Wie kan het beter?"
Stilte. Achmed hield zijn hand omlaag met moeite.
"Ik zal het zeggen," zei Victor, "en u mag het aan uw ouders vertellen, want het staat in geen enkel boek waar ik geen ruzie mee heb. Een geestelijk leider is iemand die in de jaren dertig en veertig van de vorige eeuw voor de Chinese inlichtingendienst werkte en daar een religieus vocabulaire bij kreeg."
Er werd gelachen, maar niet door iedereen.
"Ik zeg dat niet om cynisch te doen. Ik zeg het omdat het de enige manier is om te begrijpen waarom ze wonnen." Hij liep één stap opzij van het gestoelte en bleef daar de rest van het uur staan. "Denk het even zonder heiligheid. Je hebt een land met een regering die alles wil controleren. Je hebt een groep mensen binnen dat land die iets ziet wat de regering niet ziet. Wat doen ze? Ze maken zich onzichtbaar. Niet omdat onzichtbaarheid mooi is, maar omdat je in dat land alleen iets voor elkaar krijgt als niemand weet dat je bestaat. En als je onzichtbaar werkt, heb je twee dingen nodig: een netwerk dat elkaar herkent, en een taal die buitenstaanders niet kunnen navertellen."
"Een geloof," zei Annabel van achteren.
"Een geloof." Victor keek waar het vandaan kwam. "Precies. En let op de volgorde, want die is het hele punt. Het geloof is niet eerst gekomen en de organisatie daarna. Ze zijn tegelijk ontstaan, en ze zijn nooit uit elkaar te halen geweest. Wie zegt dat het geloof een dekmantel was, heeft ongelijk. Wie zegt dat het geen dekmantel was, ook."
Boven in het dak wisselde een mus van balk.
"Dan Amerika," zei Victor. "Daar ging het andersom. Daar was het openbaar, luid en komisch. Profeten, geen leiders — wetenschappers, hackers, investeerders, mediamensen, en een aantal ronduit valse. Die vielen het systeem aan met grappen. Waarom werkte dat? Wie durft?"
"Omdat je een grap niet kunt weerleggen," zei iemand.
"Beter: omdat je er niet tegen kunt terugvechten zonder mee te doen. Wie een grap serieus beantwoordt, is de grap. Dat is een machtsmechanisme, geen karaktertrek, en het is voor u het bruikbaarste dat ik vandaag zeg."
Hij liep terug, tikte met twee vingers op de map die hij niet opende.
"En nu waar ik werkelijk voor kom. De geestelijk leiders geloofden — geloven — in intuïtie. In de complexe analyse als een gesprek met God. En daar zit een probleem in dat u zelf moet oplossen, want ik ga het niet voor u doen."
Hij wachtte tot het echt stil was.
"Als u een besluit neemt op intuïtie en het pakt goed uit, wat hebt u dan bewezen?"
"Niets," zei Achmed, en hij hoorde zijn eigen stem eerder dan hij wist dat hij sprak.
"Niets," zei Victor. "Dank u. Niets. U hebt bewezen dat het goed uitpakte. Dat is alles. En toch — en dit is waarom ik hier al vijfentwintig jaar over blijf praten in plaats van er een boek over te schrijven en klaar te zijn — toch hebben ze gewonnen van mensen met betere computers. Dat is een feit. Ik kan het niet wegredeneren en ik kan het ook niet verklaren zonder iets te geloven waar ik niet in geloof."
"Misschien hadden ze geluk," zei het meisje vooraan.
"Misschien. Weet u wat het lastige is aan geluk? Dat het achteraf niet van inzicht te onderscheiden is. Nooit. Door niemand." Hij glimlachte. "Wie u dat wel kan vertellen, verkoopt iets."
Achmed schreef mee, met de hand, en merkte pas later dat hij midden in een zin was gestopt.
"En laten we eerlijk zijn," zei Victor, "het is gelukt. Dat mag gezegd, juist door een cynicus: de mensheid doet het weer goed. De cijfers deugen, de rivieren deugen, u wordt ouder dan uw grootouders en u verveelt zich gezonder. Wij hebben één eeuw geprobeerd de planeet te besturen — het antropoceen, heette dat vol trots — en dat is niet al te best bevallen, voor de rest van de planeet althans. Toen hebben we het bestuur in een buffer gelegd en de knop in Genève, en sindsdien gaat het beter naarmate er minder geregeerd wordt. Daar mag u over nadenken, want het staat haaks op alles wat mensen over zichzelf geloven: dat wij met macht kunnen omgaan. Wij kunnen dat niet. Het is de vriendelijkste ontdekking van deze eeuw."
"Nog één ding," zei Victor, "en dan mag u weg, want ik zie aan de derde rij dat het al te lang duurt. Uw generatie krijgt te horen dat het verhaal af is. Het Dictaat staat, de natuurwaarde stijgt en de koers dus ook, het duizendjarig rijk is begonnen, en er is nog één zin over: onderhouden. Dat is een prettige zin voor bestuurders en een verschrikkelijke zin voor mensen van zestien."
Er werd weer gelachen, korter nu.
"Ik zeg u dit. Elk systeem dat af is, is het niet. Er zit ergens iets in dit bouwwerk wat niemand van ons kan zien, en het zal niet gevonden worden door iemand die het van buiten bekijkt. Het wordt gevonden door iemand die er middenin staat en toevallig ergens naar kijkt wat niemand belangrijk vindt."
Hij pakte zijn map.
"Volgende week weer geld. Dat is makkelijker."
Buiten was het gaan regenen. Annabel deed haar capuchon niet op.
"Hij weet iets," zei ze.
"Hij weet dat hij het niet weet. Dat zei hij net."
"Nee." Ze keek de straat in, waar de bakkarren doorreden alsof er niets was gezegd. "Hij weet iets."