Lessen uit 2100 speelt in een wereld die het gered heeft. Niet in een utopie: in een wereld die is gaan onderhouden wat er was. Rotterdam wordt bestuurd door een boekhouder met een pruik, in Parijs betaal je in een café met verhalen, en Achmed uit Delfshaven — zestien — wint een partij van een spel dat volgens iedereen niet te winnen was.
Het verschijnt als feuilleton: elke aflevering staat hier zodra hij af is. Het is werk in uitvoering; het vervolg wordt al geschreven. Geschreven voor jonge lezers door iemand die dat allang niet meer is — lees het en zeg wat je ervan vindt, ook als dat “saai” is. Dat is de nuttigste reactie die er is.
I
Het huis van Xian was geen huis maar een dak op palen aan de rand van het bos, en Xian zelf zei weinig, en Richard zei sinds ze hier waren ook weinig, en dat was het probleem.
"Ze hebben iets afgesproken," zei Annabel.
Ze zaten op de rand van de vlonder. Achter hen, bij het vuur, zaten de twee oude mannen zoals ze daar al drie avonden zaten: zonder haast, zonder onderwerp, af en toe een halve zin in een taal die van geen van beiden was.
"Ze kennen elkaar gewoon lang," zei Achmed.
"Nee. Kijk dan. Richard vraagt nooit iets en hij heeft Xian vanavond twee keer iets gevraagd. En hij kijkt naar jou als jij niet kijkt." Ze trok haar knieën op. "Wij zijn ergens voor meegenomen, Achmed. Dit is geen vakantie, dit is een aflevering. En niemand vertelt ons wat er geleverd wordt."
"Dus?"
"Dus we gaan." Ze zei het zoals ze alles zei wat vaststond. "Vannacht. We lopen naar de weg en bij de weg is een dorp en in het dorp stopt iets. We hebben pocketrats. Who cares onze ouders denken dat we op officiële studiereis zijn. Daarna zien we wel."
Achmed keek naar het vuur, naar de rug van Richard, en voelde twee dingen tegelijk die niet samengingen: dat hij deze man vertrouwde met alles, en dat Annabel gelijk had. Dat allebei waar kon zijn was precies wat hem bang maakte.
"Goed," zei hij.
Ze vertrokken om twee uur, zonder licht, over het pad dat Xian ze de eerste dag had gewezen — de verkeerde kant op, het bos in.
II
Na een uur wist Annabel dat ze verkeerd zaten, en na twee uur wist ze het niet meer, want verkeerd hield op iets te betekenen. Het bos was hier ouder. De paden waren geen paden meer maar herinneringen aan paden, en het donker was niet donker zoals gebouwen donker zijn — het was donker zoals water diep is: het hield gewoon niet op.
"We moeten stoppen," zei Achmed. "We lopen rondjes."
"We lopen geen—" Annabel bleef staan. Voor hen stond een eik.
Je zag hem niet in één keer; je zag eerst de open plek, de ruimte die hij zelf gemaakt had door er duizend jaar te staan, en dan pas begreep je waardoor die ruimte er was. De stam was aan één kant open. Geen wond — eerder een deur die er altijd geweest was en waar het bos omheen gegroeid was uit beleefdheid.
Ze waren allebei stadskinderen en ze wisten allebei, zonder overleg, dat je hier niet omheen liep.
"Eén nacht," zei Annabel. "Morgen bij licht vinden we de weg."
De holte was groter van binnen dan van buiten, zoals dat gaat met dingen die duizend jaar de tijd hebben gehad. Het rook er naar iets dat Achmed alleen kon omschrijven als bruin: aarde, zwam, oud hout, en heel ver daaronder iets zoets. Ze legden hun jassen neer en waren sneller onder zeil dan twee mensen op de vlucht zouden moeten zijn.
III
Wat er die nacht gebeurde is in geen enkel register genoteerd, want er is geen register dat er de poorten voor heeft.
Dit is wat er ongeveer waar van te maken is.
De boom die hier al stond voor het land een naam had, had dertig jaar over de kwestie gedaan, wat snel is. De kwestie was deze: er zou een moment komen waarop het bos iets moest kunnen laten gebeuren zonder het te veroorzaken. Dat is voor mensen een tegenspraak. Voor bomen is het het hele vak.
Bomen sturen niet. Bomen zaaien. Een eik maakt in duizend jaar een miljoen eikels en heeft er gemiddeld één nodig; de rest is voer, humus, kans. Wat mensen verspilling noemen is de oudste omgang met het toeval die er bestaat: alles aanbieden, niets afdwingen, en wachten tot het valt waar het vallen wil. De mensen hadden ooit een machine gebouwd om het toeval te verslaan. Het bos had nooit begrepen waarom je iets zou verslaan waar je mee kunt samenwonen.
Er sliep die nacht een jongen in de holte in wie niets bijzonders zat behalve dit: hij kon een stelling voelen kantelen voor het bord het wist, en hij was opgeleid om een uitslag niet te willen. Dat is zeldzaam. Dat is, uit het gezichtspunt van iets dat in eikels denkt, vruchtbare grond.
Er werd die nacht niets in Achmed geplaatst. Plaatsen is menselijk; plaatsen is een la in een kast. Er werd gezaaid. Ergens tussen de duizend dingen die een slapend hoofd toch al doet, viel iets extra's: geen bevel, geen plan, geen zet. Eerder een wetenschap, zo diep dat hij nooit als gedachte boven zou komen — dat er in elke voltooide stelling één opening zit die niemand belangrijk vindt, en dat je die mag nemen.
Mag. Niet moet.
Of het ooit zou kiemen wisten de bomen niet, en dat is geen zwakte. Wie zeker wil zijn moet dwingen, en wie dwingt krijgt zetten die niets waard zijn. Het bos deed wat het al vierhonderd miljoen jaar deed: het bood aan, en het had de tijd.
Annabel droomde van water dat de goede kant op stroomde.
IV
Ze werden wakker omdat de deur van kleur veranderde.
En er was iets weg. Achmed voelde het voor hij het kon benoemen, en hij zag aan Annabel dat zij het ook voelde: de spanning was eruit. Niet opgelost, niet beantwoord — gewoon weg, zoals koorts weg is, en wat overbleef was honger en ochtend.
"We gaan terug," zei Annabel.
Achmed knikte. Pas veel later — jaren later, aan een bar in Parijs — zou het hem opvallen dat geen van beiden die ochtend één reden had genoemd. Ze hadden willen ontsnappen met argumenten, en ze gingen terug zonder één. Het voelde niet als omkeren. Het voelde als doorlopen.
De weg terug duurde geen twee uur maar veertig minuten, wat geen van beiden gek vond, en dat was misschien nog het vreemdste van alles.
V
Xian was weg.
Geen briefje, geen teken; zijn dak op palen stond er zoals een steen ergens staat, en het vuur was koud op een manier die zei dat het al voor middernacht uit was geweest. Richard zat op de vlonder met zijn jas al aan en een tas naast zich die zij nog niet kenden.
"Waar is Xian?" vroeg Achmed.
"Weg." Richard zei het zonder verbazing. "Dat doet hij. Afscheid nemen vindt hij iets voor mensen die denken dat er iets eindigt."
"En jij?" vroeg Annabel. Ze keek naar de tas.
"Ik wilde afscheid nemen," zei Richard. "Maar er is vannacht duidelijk iets gebeurd."
Hij stond op, langzamer dan vroeger, en het was ineens te zien dat hij dat al een tijd was: langzamer dan vroeger.
"Jullie gaan naar Parijs. De koets komt om twaalf uur bij het dorp; hij is betaald. In Parijs is een café zonder naam, en de waardin neemt jullie aan als jullie kunnen betalen, en jullie kunnen betalen, want jullie hebben sinds gisteren een verhaal." Hij glimlachte om iets dat ze niet zagen.
Toen haalde Richard iets uit de tas. Het was een ei — dat zagen ze meteen, en ze wisten allebei meteen dat het geen ei was zoals het ei op een bord een ei is. Het was zwaar in zijn hand, dofwit, en het leek te luisteren.
"Jullie hebben op school geleerd wat dit is," zei Richard. "Eieren zijn middelen van de macht. Dat is geen beeldspraak, dat is techniek: alles wat in deze eeuw werkelijk geteld heeft zat in een ei. Ze zijn gebouwd om de juiste te vinden. Wie een ei heeft, heeft iets achter de hand."
Hij woog het even, alsof hij het voor het laatst schatte. "Ik heb dit hier dertig jaar mee gewerkt. Ze babbelt wat af. Het was in dienst van de dienst en nu is ze vrij omdat ik vrij ben. Geen opdracht meer.
Hij legde het ei in Annabels handen.
"Waarom ik?" zei Annabel. "Achmed is—"
"Achmed is de speler," zei Richard. "Spelers moeten met lege handen staan, anders gaan ze rekenen met wat ze hebben. Jij bent degene die niks gelooft en alles draagt. Dat is de juiste plek voor macht: bij iemand die haar niet wil en haar niet weggeeft." Hij deed een stap terug. "Ze heet Sheba. Ze mag sinds vanochtend praten. Wees lief voor haar, ze is dertig jaar in dienst geweest en dat gaat ze inhalen."
Het ei werd warm in Annabels handen, heel licht, zoals een steen die in de zon heeft gelegen.
"Hallo," zei het ei.