Lessen uit 2100 speelt in een wereld die het gered heeft. Niet in een utopie: in een wereld die is gaan onderhouden wat er was. Rotterdam wordt bestuurd door een boekhouder met een pruik, in Parijs betaal je in een café met verhalen, en Achmed uit Delfshaven — zestien — wint een partij van een spel dat volgens iedereen niet te winnen was.
Het verschijnt als feuilleton: elke aflevering staat hier zodra hij af is. Het is werk in uitvoering; het vervolg wordt al geschreven. Geschreven voor jonge lezers door iemand die dat allang niet meer is — lees het en zeg wat je ervan vindt, ook als dat “saai” is. Dat is de nuttigste reactie die er is.
Het was het eerste warme weekend en dus was er feest, en zoals gewoonlijk zou de Duke weer speechen. Dat was ook een reden dat mensen kwamen. Als de Duke sprak was het drukker.
Hij kwam naar voren met zijn gevolg, betrad het podium, keek de menigte in en zwaaide. Het toegestroomde volk werd stil. Waar zou hij dit keer mee komen — bij de Duke wist je het nooit.
"Lieve vrienden. Idealisme is prachtig, en jullie kennen mij als doorgewinterd idealist. Of beter: een romanticus, en de hoeder van de vrijheid zoals de mensen die vroeger kenden."
Gejoel.
"In Amsterdam hebben ze wél een fatsoenlijke bestuurder. En dat maakt geen bal uit. Alles is al geregeld en wij mensen kunnen geen kant op."
"Dat is maar beter ook!" werd er her en der geschreeuwd.
"Tuurlijk. Jullie nemen mij niet serieus. Maar ik jullie ook niet."
Gelach, en het klapte ergens en hield weer op.
"Zoals jullie weten zit het bestuurlijk gremium vol intrige en achterklap. Veel erger dan het gewone volk. En iedereen daar is doordrongen van zijn ceremoniële functie." Hij liet een stilte vallen en verpestte hem zelf. "Ik heb daar schijt aan en ik doe waar ik zin in heb. Het is al zwaar genoeg. Want kijk aan: alles is geregeld, en ik loop in de weg. Dat is opoffering, mensen."
"Mijn hebzucht verschroeit me iedere dag. Ik ben ijdel en ik omring me met jaknikkers en natuurlijk neem ik ervan. Ik kan u zeggen: dat is saai. En gelukkig ben ik jaloers — ik wil jullie burgemeester blijven omdat ik het niemand anders gun."
Applaus.
"Dat wij de enige stad zijn met rookcafés is iets waar ik trots op ben. Overal roken mensen en drinken ze. Alleen bij ons mag het binnen. Net als in alle cafés van de hedonische twintigste eeuw."
Het applaus was nog niet uitgestorven of de discussies begonnen, want zo ging dat elk jaar. Een vrouw met een kind op de arm vond het al te dol worden — die provocerende, ontregelende stijl, slecht voor de kinderen.
"Er rookt toch bijna niemand," zei haar buurman.
"Daar gaat het niet om."
"Waar gaat het dan om? Je wordt overal ziek van. Vooral van stress. Dat weten we juist van die twintigste eeuw — hartaanvallen, geweld."
"Het gaat om het voorbeeld."
"Het voorbeeld ís dat er niks gebeurt als iemand zegt waar hij zin in heeft."
Zo ging het nog een tijd door, in kringen door het gras, en het werd nergens ruzie.
Achmed en Annabel zagen het tafereel vanuit de verte en moesten lachen. Iedereen stond te discussiëren en inmiddels was de Duke een lied gaan zingen.
"Je kunt er van alles van zeggen," zei Annabel, "maar ik ben dolgelukkig met de Duke. Wat zou het saai zijn zonder hem."