Dit is een werkversie.
Wat je leest is niet af en het wordt voorlopig ook niet af. Ik publiceer het feuilleton terwijl ik het maak, hoofdstuk voor hoofdstuk, omdat ik geen zin heb om drie jaar te wachten met iets waar ik nu over wil nadenken.
Waar het mij om gaat: kijken naar onze tijd vanuit de toekomst. Niet om te voorspellen — voorspellen is precies het probleem — maar omdat je vanaf daar dingen ziet die van dichtbij vanzelfsprekend lijken.
Dit hoofdstuk is er een van een jongen die niet kan slapen en gaat rekenen. Meer is het niet. Zo begint het meeste.
Hoofdstuk 5b Achmed
Achmed ligt in bed. Hij heeft gewonnen. En ze gaan naar Parijs. Te veel.
Hij denkt aan de kwantumcomputer. Aan Luye en Paolo uit de schoolboeken, wetenschappers die allebei vroeg zijn gestorven. Hij vindt de kwantumcomputer fascinerend. Alle pocketrats kent hij en hij beheert alle financiën. Ook het kwantumspel gaat via hem; hij kent alle spelers en alle spelen, maar hij kent niemand en iedereen tegelijk.
Iedere maand gratis geld. Hij weet niet beter.
Hij kan toch niet slapen. Alles gaat snel. Hij voelt zich opgewonden. Dit is toch wat hij wilde. De wereld in. Richard had de oorlog als jongeman meegemaakt, en daarna zeven jaar gezeten. Martelaar in de woeste opbouwjaren, nadat de oorlogen eindelijk ophielden en de VN ingreep en de basislonen invoerde voor landen die het Ecosociaal Dictaat tekenden en de ratcoin als munt gingen gebruiken. Richard had dat allemaal meegemaakt en volgens Achmed is hij belangrijker dan hij zich voordoet. Hij moest hem wel vertrouwen. En Annabel is erbij. Hij kreeg een warm gevoel: zij samen tegen de wereld.
Er gebeuren wel meer vreemde dingen, en de Duke was de grootste grap van allemaal. Achmed had weerzin en bewondering tegelijk voor die potsierlijke predikant. Beter dan de fatsoenlijke heersers in Amsterdam. Dat wel.
Je speelt nooit eenzelfde spel en altijd zijn er dezelfde principes. Dat is prachtig en het werkt mooi samen. Simpeler dan het gewone leven, en eigenlijk ridicuul dat hij juist hier zo goed in moest zijn. Hij kon het niet laten. Het studeren vond hij niet erg. Juist rustgevend.
Als hij niet slapen kan, rekent hij. Dat doet hij altijd; het is zijn manier van schapen tellen, alleen kloppen zijn schapen.
Hij begint bij zichzelf. Rating 3465 van de wereld. Na vanavond ergens rond de 2800, schat hij — winst op een speler van Richards klasse telt zwaar, en het netwerk verwerkt het direct en dan gaat het werken. Drie spelers in de stad waren beter dan hij. Vanaf morgen twee. Dan de kansen. Het netwerk gaf drie tegen één voor Richard. Dat betekent dat er mensen zijn die vanavond vier keer hun inzet hebben gekregen, en dat het netwerk zijn model bijstelt, een fractie maar, en dat die fractie doorrekent in elke voorspelling over hem, voor altijd. Eén partij. Zo werkt het: het systeem vergeet niets en weegt alles, en toch had het hem niet zien aankomen. Daar ligt hij even van te glimlachen in het donker.
Dan het geld, want geld is makkelijk. Het basisinkomen dekt alles wat hij nodig heeft en de reis kost niks: de koets is betaald, zegt Richard, vraag niet waarmee — dus rekent Achmed uit waarmee, bij benadering, en komt op een bedrag waarvoor je in Rotterdam vier maanden eet. Iemand vindt deze reis vier maanden eten waard. Ook dat is informatie.
Dan de afstanden. Rotterdam–Parijs, met de koets, een nacht rijden als het meezit. De trein doet er drie uur over en niemand neemt hem als het niet hoeft; hij heeft het eens nagerekend en de koets is per kilometer negen keer zo duur en tweehonderd keer zo populair, en dat is geen rekenfout, dat is de eeuw waarin hij leeft.
En dan, altijd als laatste, het grote sommetje dat nooit uitkomt: het WK. Rond de tweehonderdvijftien landen, kwalificaties per regio, en van de vier miljoen geregistreerde spelers halen er tweeëndertig de eindronde. Hij deelt het uit gewoonte — één op de honderdvijfentwintigduizend — en legt het weg zoals je een mooie steen weglegt die je toch niet mee naar huis neemt.
Zijn moeder zegt: als je niet slapen kunt, heb je iets te danken en ben je het vergeten. Hij dankt, voor de vorm, voor de partij en voor Annabel op de eerste rij, en het helpt zoals het altijd helpt: niet.
Wat hem uiteindelijk in slaap krijgt is geen som en geen gebed maar de stelling van vanavond, die hij nog één keer opzet achter zijn ogen, zet voor zet, tot aan het moment dat Richard die rare deur openzette — en daar, precies daar, valt hij in slaap, zoals hij de rest van zijn leven precies daar in slaap zal vallen, op de drempel, zonder ooit te weten dat het een drempel was.