Lessen uit 2100 Hoofdstuk 4 · De kwantumspeler

Rini Biemans

20 augustus 2026

Fictie
Lessen uit 2100 Hoofdstuk 4 · De kwantumspeler

Foto’s

Achmed stond op nummer 3465 van de wereld, en dat was best goed.

Het klonk niet goed — drieduizend en nog wat — maar wie het spel kende, wist wat het betekende: in de hele stad waren er maar drie spelers beter, en een van die drie was Richard, tegen wie hij overmorgen zou spelen. Officieel. Ze hadden nog nooit tegen elkaar gespeeld; drie officiële partijen per jaar mocht je tegen dezelfde tegenstander, en met Richard had je er gemiddeld nul, want Richard zei bijna altijd nee.

Het spel liet zich niet voorspellen en dat was het spel. Geen partij liep ooit hetzelfde en toch herkende je alles: dezelfde principes, nooit dezelfde stelling. Er zat veel geluk in, dus gevoel telde — het was ook poker, zei Willem altijd, alleen kun je bij poker de kaarten nog tellen. Alles hing aan de spinwissels, en die zaten achter vensters die maar even openstonden en die je nauwelijks zag aankomen. Verdedigen was daarom geen muur bouwen maar een buffer leggen met escapes erin: zo ving je het toeval op in plaats van het buiten te sluiten, en ondertussen loerde je naar het ene gat dat de ander niet zag. Wie het gat eerst zag, won meestal. Meestal.

Een partij bestond uit vier spelletjes. Bij gelijkspel werden de punten geteld.

Het kwantumspel was na de oorlog gekomen en het was het symbool van alles wat er daarna anders was: een spel dat alleen analoog gespeeld kon worden — twee mensen, één tafel, één ruimte, daar viel niet aan te tornen — en dat toch verbonden was met het netwerk. De twaalf stukken registreerden elke beweging; het display op tafel hield de score bij en piepte bij een onreglementaire zet. Bij goede spelers piepte er nooit iets. Bij Achmed was het jaren geleden.

Elke gespeelde partij ging het netwerk in, en wat het netwerk ermee deed wist niemand precies en iedereen ongeveer: ergens in China stond de grote computer, en die zag in de manier waarop mensen hun stukken bewogen iets wat hij nergens anders uit kon halen. De bewegingen waren als een vingerafdruk — de computer pikte van elke speler negenennegentig procent van zijn partijen er blind uit. Daar zat, zeiden de betere spelers onder elkaar, een kans in. Ze zeiden er nooit bij welke.

Achmed speelde het tien jaar. Hij kon alles dromen — de zetten, de effecten, de spinwissels — en hij wilde de allerbeste worden, want dat hoorde bij je talent ontwikkelen, en het talent hoorde bij de opleiding: naast de lessen van meester Sun en het programma aan de universiteit moest elke seminarist ergens goed in worden. Echt goed. Muziek, schilderen, sport — wat je wilde, maar wie nergens talent had, kon beter iets anders gaan doen.

Onderweg naar de aula betaalde hij bij het kraampje op de hoek met zijn pocketrat — het ding zag eruit als de allereerste zaktelefoons, en dat was de bedoeling. Je tikte allebei het bedrag in, de ratten moesten elkaar raken, en klaar: zo wist het netwerk dat het een transactie tussen mensen was, want dat was de enige soort die telde. Geld op afstand overmaken bestond niet meer; wie anoniem wilde zijn pinde analoog geld bij de automaat, en dat kon niemand volgen — geen mens althans, en wat de computer eruit las was geen naam maar een ritme. Iedereen had het basisinkomen, iedereen had de pocketrat, en niemand dacht er nog over na, zoals niemand nadenkt over de zwaartekracht.

De vrouw van het kraampje gaf hem zijn wisselgeld in analoge Ratcoins, want ze gaf altijd analoog terug, uit principe of uit gewoonte, dat wist niemand.

Willem had wiskunde als vak en het spel als talent, en het was elke week de vraag of het niet andersom was. Ze oefenden op woensdag, in de aula die na vijven van niemand was, en Achmed had alle officiële partijen tegen hem gewonnen op twee na.

"Overmorgen dus," zei Willem. Hij had zijn witte T-shirt aan, wat niets zei, want hij had altijd zijn witte T-shirt aan. "De Natte Bever. Je boft dat hij heeft toegezegd."

"Waarom zegt hij eigenlijk altijd nee?"

"Omdat iedereen tegen hem wil. Hij is drieënzestig en hij was de beste van het land, en elke jongen met een rating wil één keer tegen de legende voor die doodgaat." Willem zette de stukken terug in de kist. "En hij drinkt erbij. En hij rookt erbij. En hij wint toch. Dat vergeven ze hem niet, en volgens mij is dat waarom hij nee zegt: hij heeft geen zin meer in gezichten van jongens die verliezen van een klootzak."

"Kansen?"

"Drie tegen één voor hem." Willem grijnsde. "Zegt het netwerk. Maar het netwerk heeft jou nog nooit zien spelen als het ergens om gaat."

's Avonds, thuis, pakte Achmed zijn display en zocht de partij op die hij al honderd keer had gezien: het wereldkampioenschap van na de oorlog, Gary tegen Tjing, de derde wedstrijd. Het was een legendarisch gevecht geweest en het was nog steeds te zien zoals alles nog te zien was — elke partij ooit gespeeld stond in het netwerk, dat was de afspraak, daar betaalde je mee.

Hij liet de animatie lopen tot de stelling kwam. Dáár. De zet die niemand had zien aankomen, ook Gary niet: een stuk dat de verkeerde kant op leek te gaan en drie beurten later alles vastzette. Achmed speelde hem na, terug, opnieuw. Hij wist dat het zinloos was — je kon een gespeelde zet niet nog een keer spelen, het spel gaf nooit twee keer dezelfde stelling, dat was wiskundig zo geregeld en het was ook de hele bedoeling — maar zo studeerde je: niet om de zet te onthouden maar om te voelen waar zoiets woont.

Zijn moeder klopte en vroeg of hij het licht uit wilde doen.

"Vijf minuten."

Het werd een uur. Hij bekeek de stelling van alle kanten, en ergens in dat uur dacht hij iets wat hij overmorgen aan de tafel zou vergeten en pas veel later terug zou vinden: dat de beroemdste zet uit de geschiedenis beroemd was geworden omdat één man had gedurfd te denken dat de deur voor hém openstond.

Hij deed het licht uit.

Overmorgen twee uur lopen naar de dijk, over de Hanzeroute, waar het altijd een drukte van jewelste was — voetgangers, karren, en op het karrenspoor ernaast de koetsen met paarden, het populairste vervoermiddel van de eeuw. Annabel kwam op haar skateboard, had ze gezegd. Ze zou wel weer iets ouds aanhebben dat nieuw was: het oversized jack, de gescheurde spijkerbroek, kopieën van kleding van een eeuw geleden — de trend die maar niet wegging, het doen herleven van een verleden dat niet meer bestond. Het was net uit met haar vriend en ze kon wel wat afleiding gebruiken, en ze wilde Richard weleens zien — een echte martelaar, had ze gezegd, op de toon waarop ze alles zei waarvan je niet wist of ze het meende.

Achmed sliep snel in. Hij droomde van niets in het bijzonder, en dat zou de laatste keer zijn, maar dat wist hij niet.


Delen

« Terug naar artikelen

0 reacties

Laat een reactie achter