De collegezaal van het seminarie rook naar oud hout en nieuwe wierook, een combinatie waar de schoonmaakrobots niet tegenop konden. Vooraan zat Achmed. Altijd vooraan, altijd op tijd, aantekeningen met de hand — dat gaf punten bij Analoge Devotie, maar daar deed hij het niet voor. Hij deed het omdat hij het meende, en dat was op deze opleiding zeldzamer dan wonderen.
Achterin, als ze er was, zat Annabel.
Vandaag was ze er. Ze rook naar het rookcafé van gisteravond, droeg een T-shirt van een band die honderd jaar dood was, en had haar laarzen op de bank voor zich. Op het shirt stond ANALOOG IS HET NIEUWE DIGITAAL, maar dan doorgestreept, en daaronder in viltstift: ALLES IS HET NIEUWE NIKS.
Meester Sun deed of hij het niet zag. Meester Sun zag alles.
"Vandaag," zei hij, "tentamenstof. De drie pijlers van het ambt. Wie?"
Achmeds hand. "Kansleer, zielzorg en komiek."
"Juist. En waarom is komiek een hoofdvak en geen bijvak, wat de ouders van sommigen onder u —" zijn blik gleed door de zaal, "— jaarlijks per brief betwisten?"
Stilte. Achmed wist het antwoord uit het boek en wist dat het antwoord uit het boek niet gevraagd werd.
"Omdat je anders een sekte bent," zei Annabel van achteren, zonder haar laarzen te bewegen.
"Licht toe."
"Een geloof dat zichzelf serieus neemt, gaat vroeg of laat mensen serieus nemen die zichzelf serieus nemen. En dan heb je binnen tien jaar weer mannen met raketten." Ze gaapte. "Staat niet in het boek. Hoorde ik in de kroeg."
"Vijf punten," zei meester Sun. "De kroeg is de oudste collegezaal. Meneer Achmed, u wilde iets toevoegen?"
Achmed had niets willen toevoegen, hij had naar Annabel willen kijken zonder dat iemand het zag — ze kenden elkaar van hun achtste, van klimrekken en schoolpleinen, en ergens onderweg was kijken iets anders geworden dan kijken, wat op een opleiding vol mensen die getraind werden in kijken kansloos was. "De tweede reden," zei hij snel. "Kansleer zonder komiek wordt fatalisme. Als het toeval God is en je mag er niet om lachen, dan is elke tegenslag een vonnis. De grap houdt het toeval... bewoonbaar."
"Zes punten. En nu allebei één punt aftrek: meneer Achmed omdat hij het te mooi zegt, mevrouw Annabel omdat ze te laat was." Meester Sun sloeg zijn map open. "Praktijkoefening. Wie van u kan mij een orakel trekken én de uitslag relativeren zonder de vraagsteller te beledigen? Dat is namelijk het hele vak, de rest is aankleding."
Na college stond Annabel buiten te roken op de trap waar dat niet mocht, wat de reden was dat ze er stond.
"Je hebt vijf punten gehaald met kroegpraat," zei Achmed. Het moest luchtig klinken. Het klonk als een aanklacht en als bewondering tegelijk, wat het ook was.
"Richard zegt de helft van de leerstof gewoon aan de bar, drie jaar voor het tentamen." Ze blies rook naar de verbodsbepaling op de muur. "Jij zou eens mee moeten."
"Ik drink niet."
"Je hoeft niet te drinken. Je moet luisteren. Dat kun je — je bent er goed in, beter dan ik. Ik luister alleen naar mensen die ik niet vertrouw, dat scheelt de helft."
"En mij vertrouw je."
"Jou vertrouw ik als een broer." Ze zei het zonder wreedheid, wat het wreder maakte, en drukte haar sigaret uit op de rand van de wierookbak, waar hij naast de peuken van drie generaties opstandige seminaristen belandde. "Kom op. Kansleer II. Als ik dit jaar zak, moet ik van mijn moeder iets nuttigs gaan doen."
Ze liepen naar binnen, de straight en de scheve, en op de trap dacht Achmed iets dat hij pas in 2100 aan een heilige tekst zou moeten toegeven: dat hij niet wist wat hij geloofde, maar wel naast wie hij wilde zitten als het toeval toesloeg.