Het café is leeg, het is vier uur, en Paula is niet verrast dat hij binnenkomt — wat niet kan. Hij vraagt koffie in plaats van whisky. Zij legt de theedoek neer, wat hij haar in dertig jaar nooit heeft zien doen, en vertelt hem wat ze achtentwintig jaar niet vertelde. Daarna schenkt ze twee glazen in, en het tweede is voor haarzelf.
De taxi zette hem af op het plein en Richard betaalde en bleef even staan, zoals hij voor elke deur van zijn leven even was blijven staan, uit gewoonte, om te horen wat erachter zat.
Erachter zat een tap die liep en verder niets. Het was vier uur; het café was leeg.
Paula stond achter de bar en droogde een glas, en toen hij binnenkwam keek ze op en er was iets in dat opkijken dat hij pas begreep toen hij al zat: ze was niet verrast. Ze had niet op de koets gerekend maar op hem, apart, eerder, alleen — en dat kon alleen als ze wist wat hij onderweg had uitgedacht, en dat kon niet.
"Whisky?" zei ze.
"Doe maar koffie."
"Zo erg is het dus." Ze zette de koffie voor hem neer, echte, en bleef staan. Niet zoals een waardin blijft staan. Zoals iemand die tijd heeft gereserveerd.
Richard dronk en zette het kopje neer en zei wat hij in de taxi had besloten te zeggen, in de volgorde die hij had besloten:
"De kinderen komen straks met de koets. Xian is naar het zuiden. En er heeft vannacht voor het eerst in dertig jaar iemand in de holte geslapen."
"Ik weet het," zei Paula.
"Dat kún je niet weten. Ik heb het vanochtend gehoord en ik ben rechtstreeks—"
"Richard," zei ze, en ze legde de theedoek neer, wat hij haar in dertig jaar nooit had zien doen. "Ga even goed zitten. Ik ga je iets vertellen, en ik kan het je vertellen omdat het sinds vannacht niet meer uitmaakt."
En ze vertelde het — niet alles, want alles vertelde ze nooit, maar genoeg.
Ze vertelde het zonder opsmuk, zoals je een inventaris opleest — en ze vertelde het als het verhaal van een ander, van "Luye", een naam die ze uitsprak zoals je een fles van een hoge plank pakt. Het lab. De vier hoofdstukken op een website die niemand las. Paolo, die geschreven werd en gestorven is — "daar komen we nog op, dat is het enige stuk waar je stil van wordt" — en het ei bij de wortels, dertig jaar geleden, in de nacht voor de crematie. Hoe ze dat allemaal wist, zei ze niet, en Richard vroeg het niet, want hij was aan deze bar nooit iets gaan vragen en dit was geen avond om daarmee te beginnen.
"Xian?" vroeg Richard. Zijn stem deed gewoon. Zijn handen ook. Dat was het vak.
"Xian heeft gezien wat hij moest zien. Hij heeft het nooit geloofd — daarom was hij de juiste getuige. Een gelovige getuige gaat twijfelen; een twijfelende getuige blijft veertig jaar op zijn hoede, en op zijn hoede blijven was precies zijn werk. Ik heb hem nooit iets uitgelegd. Uitleg maakt slordig."
"En ik."
Het was geen vraag en ze behandelde het ook niet als een.
"Jij zat al twaalf jaar in de dienst toen je mij op een avond in vertrouwen nam," zei ze. "Achtentwintig jaar geleden, aan deze bar, drie krukken verderop. Je was verliefd en je dacht dat je één geheim aan het geven was." Ze pakte de theedoek weer op, vouwde hem, legde hem weer neer. "Ik heb er achtentwintig jaar mee gewerkt. Elke keer dat je hier zat was het rapport, en je hebt het nooit geweten, en je was de beste die ik had juist omdat je het niet wist. Dat is de waarheid en ze is niet vriendelijk, en je mag nu iets zeggen."
Richard zei lang niets.
Hij keek naar zijn koffie, en naar de bar, en naar de plek drie krukken verderop waar hij ooit verliefd was geweest en het nog steeds was, wat het probleem in één zin was.
"De whisky alsnog," zei hij.
Ze schonk in. Voor hem, en toen — wat waardinnen nooit doen — voor zichzelf.
"Waarom vertel je het," zei Richard. "Veertig jaar zwijgen en dan een inventaris. Waarom."
"Omdat het af is." Ze zei het zonder triomf, bijna huiselijk. "Vannacht is het laatste gezaaid. Ik heb niets meer te sturen, niets meer te bewaken, niets meer te verzwijgen. Wat er nu nog moet gebeuren doet het toeval — en het toeval, Richard, kun je niet helpen. Je kunt er alleen voor zorgen dat het genoeg heeft om uit te kiezen, en dat heeft het. Meer dan genoeg. Het is klaar."
"En als het misgaat."
"Dan gaat het mis." Ze haalde haar schouders op, en het was geen onverschilligheid, het was iets ergers: vrede. "Ik denk niet meer zoals jij denkt. Noem het de jaren, noem het de bar, noem het wat je wilt — ik denk inmiddels zoals zij denken. Je zaait een miljoen eikels en je hebt er één nodig en je weet nooit welke, en dat weten is ook niet jouw taak. De boom rent de eikel niet achterna."
"Ik wel," zei Richard.
Het viel er gewoon uit, zonder plan, en het was het eerste ongeplande dat hij die dag zei.
"Ik ga naar dat toernooi. Ik weet dat het nergens op slaat. Ik kan niets doen — ik kan niet meespelen, ik kan hem niets vertellen zonder alles te breken, ik heb vanochtend zelfs het ei weggegeven. Ik ben een oude man met lege handen en ik ga erheen en ik ga op een stoel zitten waar hij me niet kan zien, en als het misgaat kan ik er niets aan doen, en ik ga toch." Hij dronk zijn whisky leeg. "Zeg maar dat het nergens op slaat."
Paula keek hem lang aan.
En toen gebeurde er iets met haar gezicht dat hij niet kende van dertig jaar bar: het werd zachter en ouder tegelijk, en heel even was ze geen waardin en geen wetenschapper en geen dode, maar iets anders, een mens.
"Het slaat nergens op," zei ze zacht. "En het is het enige van jullie dat ik mis."
"Van jullie."
"Van mensen." Ze spoelde haar glas om en zette het weg, en de waardin was terug. "De bomen hebben alles wat ik nodig heb. Geduld, overzicht, geen angst. Maar ze rennen nergens achteraan. Er is in het hele bos niet één boom die ergens bij wil zijn." Ze hing de theedoek over haar schouder. "Jij wel. Jij gaat zestig jaar en vier organen te laat nog ergens heen waar je niets kunt doen, alleen om erbij te zijn. Dat is volstrekt nutteloos en het is het mooiste wat jullie hebben, en ik kan het niet meer, maar ik kijk er graag naar."
Buiten begon de middag in de avond over te lopen. Ergens op een dag afstand reed een koets door het donker met twee slapende kinderen en een ei dat zijn eerste vrije nacht had.
"Ze komen morgen," zei Paula. "Ik maak de kamertjes boven de tap in orde. Jij zit aan de bar en je bent iets anders gaan doen — dat is je verhaal en het is nog waar ook."
"En jij?"
"Ik ben de waardin," zei ze. "Dat ben ik nu langer geweest dan al het andere bij elkaar. Het bevalt me het best van alles."
Ze pakte de theedoek weer op.
"Ga je handen wassen, Richard. Je eet mee. Morgen wordt het druk."