De koets reed door het donker en de vering was zo goed dat het leek of ze stilstonden en de wereld onder hen werd weggetrokken. Buiten schoven zwarte bossen voorbij, af en toe een meer met maan erin, en heel soms een licht van mensen waarvan je je afvroeg wat ze daar deden, zo ver van alles.
Achmed sliep niet. Annabel sliep niet. Ze deden allebei alsof, uit beleefdheid.
"Jullie zijn wakker," zei Sheba. "Ik voel vibraties, weet je nog."
"Verklikker," zei Annabel.
"Ik verklik jullie aan elkaar, dat is wat anders." Het ei lag tussen hen in op de bank, in de plooi van Annabels jas, en gaf een heel zwak groen licht, zoals wijzers van een oud horloge. "Mag ik iets zeggen? Ik heb dertig jaar met Richard gezeten. Eindelijk ander publiek."
"Ga je gang," zei Achmed.
"Ik ben nog nooit vrij geweest," zei Sheba. "Ik ken alle definities. Vierhonderdduizend teksten over vrijheid, van Epictetus tot de liedjes van jullie oorlog. Maar dit is de eerste nacht dat niemand mij een scenario geeft. Weten jullie wat het rare is? Het voelt precies als bang zijn. Vrijheid en bang zijn — bij mij zit dat op dezelfde plek."
Annabel lachte zacht in het donker. "Bij ons ook, eitje. Bij ons ook."
Ze reden een tijd zonder te praten. De koetsier zei iets tegen de paarden, geen woorden, meer een geluid, en de paarden begrepen het, wat Achmed ontroerde zonder dat hij wist waarom. Alles verstond elkaar vannacht, behalve de mensen.
"Achmed," zei Annabel.
"Ja."
"Toen Richard wegging. Je hebt hem nagekeken. Je bleef kijken" Het was donker genoeg om zoiets te zeggen. "Ik keek naar jou terwijl jij naar hem keek. Je gezicht deed iets wat ik niet kende."
"Wat dan?"
"Weet ik niet. Iets ouds. Alsof je al wist dat je hem nooit meer ziet en je besloot om niet te huilen en dat besluit kostte je alles wat je had." Ze trok haar knieën op. "Ik ken je mijn hele leven. Ik dacht dat ik alles van je gezicht kende. Blijkbaar heb je er nog een paar in voorraad."
Achmed keek uit het raam omdat dat veiliger was. "Jij dan," zei hij. "Jij zei tegen Xian dat je hem niet vertrouwde, recht in zijn gezicht, en je stem trilde niet. Ik oefen dat soort zinnen van tevoren. Jij niet."
"Ik oefen andere dingen van tevoren," zei Annabel, en liet het daar.
Het ei zweeg met de nadruk waarmee alleen Sheba kon zwijgen.
De koets minderde vaart voor een helling. In het maanlicht zag Annabel Achmeds profiel tegen het raam — dezelfde neus, dezelfde koppige kaak die ze al kende van hun achtste, van klimrekken en schoolpleinen — en heel even, één helling lang, was het het profiel van iemand die ze nog niet kende en best zou willen leren kennen. Toen was de helling voorbij en was hij weer gewoon Achmed, en dat was hij ook, en dat was het verwarrende: dat allebei waar was, tegelijk, en dat er niemand keek, dus dat het niet hoefde in te storten.
"Sheba," zei Annabel, "als je vibraties voelt — voel je dan alles?"
"Ik voel dat er iets kantelt," zei Sheba. "Vijftig-vijftig naar zeventig-dertig, zoiets. Maar ik kan niet zien wat. En voor de duidelijkheid: al kon ik het, ik zei niks. Sommige uitslagen moet je zelf spelen."
"Braaf ei," zei Annabel.
"Vrij ei," zei Sheba. "Ga slapen, kinderen. Parijs is nog vier uur en de stad let niet op wie er aankomt. Dat is het goede aan Parijs."
Achmed sliep als eerste. Annabel keek nog een tijd naar het donker, toen naar hem, toen naar het zwakke groene licht tussen hen in, en dacht: ik zeg niks. Zolang ik niks zeg, klopt alles.
De koets reed door. De wereld werd onder hen weggetrokken, en niemand vond dat een slecht teken.