Het café had geen naam. Boven de deur hing een uithangbord waar ooit iets op had gestaan, de verf was eraf geregend en niemand had de moeite genomen het opnieuw te schilderen. De stamgasten zeiden "bij Paula" en dat was genoeg.
Achmed en Annabel waren er terechtgekomen omdat de koets hen had afgezet op een plein in Parijs dat ze niet kenden met één uitzonderlijk ei. De koetsier had gewezen, niet gesproken. Het regende zacht, de spiegels boven de straten stonden dof.
Binnen was het warm en rook het naar echte koffie. Dat viel Annabel als eerste op — geen surrogaat. Aan de bar zat een man in een verweerd jasje, whiskyglas voor zich, die niet opkeek toen ze binnenkwamen en toch precies wist wie er binnenkwam.
"Richard!" Achmed hoorde zijn eigen stem overslaan. "Je bent er. Je bent er gewoon."
"Ik heb Xian gesproken," zei Richard tegen zijn glas. "Ik vertel het je later."
Achmed slikte. Hij was blij hem te zien — blijer dan hij kon laten merken — en hij vertrouwde hem, ook al was het verhaal onbegrijpelijk. Hoezo was híj een sleutel geweest? Hij zou het wel horen. Het toeval omarmen; hij begon eraan te wennen. En ergens voelde hij zich geroepen: hij was per slot in opleiding voor geestelijk leider, en dit was het echte werk.
Achter de bar stond een vrouw van onbestemde leeftijd. Grijs haar, opgestoken, een schort met een borduursel van een ei erop — of een steen, dat was niet goed te zien. Ze droogde een glas dat allang droog was. "Jullie zullen honger hebben," zei ze. Het was geen vraag.
"En of," zei Annabel.
"Hier betaal je met verhalen," zei de vrouw. "Ik ben Paula. Ga zitten."
Ze gingen zitten. Op de tafel stonden bloemen, echte, een beetje verlept, in een conservenblik. Aan de muur hing een foto van een dorp aan een rivier, ergens in het zuiden, met een kademuur en een abdij. Annabel voelde aan haar zak. Het ei was er nog. Het zweeg.
Paula bracht uitsmijters. Het ei op het bord was ambachtelijk, dat zag je aan de rafelige rand. "Van eigen kippen," zei ze. "De enige eieren hier die niet praten."
Annabel verslikte zich. Richard grinnikte in zijn glas.
"Hoe—" begon Achmed.
"Jongen," zei Paula, en ze ging zitten, wat waardinnen nooit doen, "ik sta hier dertig jaar. Alles wat in deze stad gedacht wordt, wordt hier op een avond hardop gezegd. Ik luister, ik onthoud, ik oordeel niet. Ik hoef niet af te luisteren. Mensen vertellen het me toch wel."
"Dat zei Sheba ook," zei Annabel langzaam.
"Wie is Sheba?" vroeg Paula, en ze glimlachte op een manier die twee dingen tegelijk betekende en niet instortte tot één.
Annabel keek naar Richard. Richard keek naar de bloemen. "Vraag het haar niet," zei hij. "Zolang je het niet vraagt, kloppen beide antwoorden."
Buiten trok de regen op. Een tram zoefde voorbij, de spiegels vingen een streep laat licht en legden die over de bar, over Paula's handen, over het glas dat ze nog steeds droogde.
"Er komt binnenkort iemand," zei Paula, terwijl ze opstond. "Iemand die denkt dat hij iets ontdekt heeft. Hij komt met een map en één vel papier, en hij denkt dat er nog een sleutel is. Slimme man. Hij is alleen de laatste die het hoort."
"Wat moeten wij doen?" vroeg Achmed.
"Niks," zei Paula. "Eten. Luisteren. Het loopt toch anders."
De deur ging open.