Lessen uit 2100 Hoofdstuk 6 De Duke

Rini Biemans

24 augustus 2026

Fictie
Lessen uit 2100 Hoofdstuk 6 De Duke

Lessen uit 2100 speelt in een wereld die het gered heeft. Niet in een utopie: in een wereld die is gaan onderhouden wat er was. Rotterdam wordt bestuurd door een boekhouder met een pruik, in Parijs betaal je in een café met verhalen, en Achmed uit Delfshaven — zestien — wint een partij van een spel dat volgens iedereen niet te winnen was.

Het verschijnt als feuilleton: elke aflevering staat hier zodra hij af is. Het is werk in uitvoering; het vervolg wordt al geschreven. Geschreven voor jonge lezers door iemand die dat allang niet meer is — lees het en zeg wat je ervan vindt, ook als dat “saai” is. Dat is de nuttigste reactie die er is.

Twee mannen die elkaar veertig jaar kennen en elkaar nooit hebben vertrouwd. Dat is precies waarom het werkt.

Richard heeft verloren van een jongen van zestien. De Duke heeft dat nagekeken, want de Duke kijkt alles na. Hij heeft een kast met vierentwintig laden waarin de baantjes liggen, en voor Achmed heeft hij er geen — en dat bevalt hem niets.

“Ik beloof nooit iets. Dat is waarom je me kunt geloven.”

De Duke ontving in het publieke gedeelte van het ridicule paleis en dat was al een mededeling. Wie hij werkelijk sprak, sprak hij in de kamer achter de enige deur die daarheen leidde; wie hier zat, zat in de etalage.

Richard kende de kamer. Een bureau van iets dat op mahonie leek, drie stoelen die niet bij elkaar hoorden, en tegen de wand een kast met vierentwintig laden waarin volgens het gerucht de baantjes lagen. Boven de kast hing een schilderij van de haven zoals die niet meer bestond, met kranen erop die de Duke nooit had gezien. Hij was zeven jaar na de laatste kraan geboren.

"Je hebt verloren," zei de Duke.

"Ik heb verloren."

"Van een jongen van zestien." De Duke schoof een glas over het bureau, schonk in zonder te vragen, en schonk voor zichzelf niet in. Dat deed hij altijd. "Ik heb het nagekeken. Achmed. Moeder is iman in Delfshaven, vader werkt bij de waterstaat, geen schulden, geen dossier, geen ruzie met iemand. Een gezin waar niets mis mee is. Ik houd niet van gezinnen waar niets mis mee is, Richard. Daar valt niets mee te regelen."

"Daarom is hij het."

"Dat zeg jij." De Duke wreef met zijn zakdoek over zijn voorhoofd — de pruik maakte hem warm, en de pruik ging niet af waar iemand bij was. "Ik heb hier vierentwintig laden. Voor jou heb ik er geen nodig gehad; jij hebt zeven jaar gezeten en bent teruggekomen alsof je van vakantie kwam. Voor die jongen heb ik er ook geen. Dat betekent dat ik niets van hem heb en hij niets van mij, en dat is precies de toestand waarin mensen dingen gaan doen die ik niet zie aankomen."

Buiten sloeg de klok van het stadhuis dat geen stadhuis meer was. De Duke wachtte tot hij was uitgeslagen, wat hij altijd deed, en wat Richard altijd was opgevallen.

"Wat wil je van me," zei Richard.

"Ik wil dat je blijft." De Duke zei het zonder nadruk, zoals je een prijs noemt. "Rotterdam heeft drie dingen die andere steden niet hebben: de rookcafés, de handel, en jou. De eerste twee heb ik zelf geregeld. Jij bent me toegewaaid, en toegewaaide dingen waaien weg. Ik geef je een titel. Kies er zelf een. Ik heb vorige maand iemand tot Bewaarder van de Getijden benoemd omdat hij dat mooi vond klinken; hij doet niets, hij is gelukkig, en hij is van mij."

"En als ik nee zeg."

"Dan zeg je nee." De Duke haalde zijn schouders op. "Ik ben geen bullebak, Richard, ik ben een boekhouder met een pruik. Ik neem geen wraak, dat kost geld en levert niets op. Ik reken alleen liever met mensen dan met verhalen. Mensen kun je iets geven."

Richard dronk. De whisky was goed, wat betekende dat de Duke wist welke hij dronk, wat betekende dat het gesprek al twee weken geleden was begonnen.

"Weet je waarom ik in dit gebouw woon?" zei de Duke. "Iedereen vindt het belachelijk. De VN-inspecteur die hier elk jaar komt heeft er drie keer een opmerking over gemaakt en de vierde keer niet meer, want ik haal mijn cijfers. Ik woon hier omdat het gebouw van de stad is en ik dus in de stad woon. Wie ergens woont, gaat niet weg. Dat is alles wat bestuur is: er nog zijn als de rest vertrokken is."

"Dat is het beste wat je ooit tegen me gezegd hebt."

"Ik heb het van mijn moeder." De Duke schoof het glas terug, ten teken dat het op was. "Zij runde een viswinkel op de Schiedamseweg en die stond er nog toen de straat al twee keer onder water had gestaan. Ze zei: wie opruimt mag blijven."

Bij de deur draaide Richard zich om, met de klink in zijn hand.

"De jongen komt hier niet," zei hij. "Nooit. Beloof dat."

De Duke keek hem aan met iets wat bij een ander medelijden had geheten.

"Richard," zei hij, "ik beloof nooit iets. Dat is waarom je me kunt geloven."

Delen

« Terug naar artikelen

0 reacties

Laat een reactie achter